Trainingscontext

Trainingssetting:

  • Een positieve en stimulerende trainingsomgeving
  • Veilig sportklimaat waar ruimte is voor open communicatie
  • Sporters verkrijgen inzicht in wat van hen verwacht wordt tijdens een training
  • Ontwikkelen passie voor de sport
  • Introductie basisprincipes van het leren doelen stellen
  • Werken met doelen die direct meetbaar en/of evalueerbaar zijn
  • Promoten van ervaringsgericht leren
  • Trainer moet gebruikmaken van vormen van indirect leren, zodat sporters geleidelijk meer inzicht krijgen in (het aanleerproces van) de bewegingen en oefeningen.
  • Een individuele trainingsaanpak en opvolging van de sporter zijn noodzakelijk. Dit hangt af van het doel, de behoefte en de leeftijd van de sporter. Overtraining of onvoldoende recuperatie moeten altijd vermeden worden.

Performance-setting:

  • Alle sporters halen voordeel uit het participeren aan activiteiten zoals clubevenementen, turnfeesten, (recreatieve) wedstrijden …
  • De sporters krijgen inzicht in de fysieke en mentale uitdagingen van wedstrijden. Ze voelen zich in de loop van deze fase (en verder) steeds meer op hun gemak in een wedstrijdsetting.
  • Het doel van wedstrijden is toegespitst op het nastreven van nette, mooie en consistente oefeningen, niet op het resultaat. Dit is een belangrijke periode voor de sporters om wedstrijdstrategieën te ontwikkelen: hoe bereid ik mij op de beste manier voor, wat kan ik eten, hoe kan ik het best met mijn stress omgaan …
  • Het is belangrijk dat trainers en ouders de nadruk leggen op ‘Toon je beste oefeningen’ in plaats van op rangschikking en wedstrijdresultaten.

Trainingsomvang

Het aantal trainingsuren is belangrijk, maar hoe de trainingen worden ingevuld, is nog belangrijker. Er moet aandacht zijn voor een complete opleiding van de sporters. Niet enkel discipline- of toestelspecifieke vaardigheden zijn belangrijk, ook fysieke ontwikkeling, houdingsscholing, coördinatietraining, preventietraining, choreo … moeten voldoende aan bod komen.

Gezond Sporten

Gezond sporten betekent meer dan blessurevrij sporten en is belangrijk voor élke sporter op elke leeftijd en op elk niveau. Op een gezonde enethisch verantwoorde manier aan de slag gaan, zorgt voor een veilige en aangename omgeving waar iedereen plezier en succes kan beleven.

Enkele belangrijke aandachtspunten in deze fase:

  • Fair play tijdens wedstrijden: Het is belangrijk om vanaf de eerste ervaring met (informele) toernooien of wedstrijden de sporters te duiden op het belang van fair play en respect voor alle betrokkenen.
  • Voldoende water drinken: Kinderen kennen een verhoogd risico op uitdroging doordat de regeling van de lichaamstemperatuur bij hen nog niet zo goed verloopt als bij volwassenen. Om deze reden moeten kinderen leren drinken in de rustmomenten tijdens het sporten, ongeveer elke 15 à 20 minuten.
  • Omgaan met angsten: Sporters ervaren soms angst bij het aanleren van nieuwe vaardigheden. De trainer moet een veilig klimaat creëren en samen met de sporter een manier zoeken om die angst weg te nemen of te overwinnen. Elke sporter reageert anders op angsten, waardoor een individuele aanpak noodzakelijk is.

Gezien het aantal trainingsuren toeneemt, zijn volgende zaken aangewezen:

  • Screening naar eventueel onevenwicht in kracht en lenigheid. Dit zal blessures helpen te voorkomen/verminderen.
  • Aandachtig zijn voor de maximale groeispurt: driemaandelijkse opvolging van lengte (en eventueel zithoogte, armwijdte en gewicht). Afhankelijk van het trainingsniveau kan dit regelmatiger opgevolgd worden.
  • Jaarlijkse medische controle van de algemene gezondheid, aangevuld met sportspecifieke lichaamsscreening en eventueel bloedanalyse. Bij vrouwelijke sporters die menstrueren, moet het ijzergehalte gecontroleerd worden.
  • Eventueel één tandheelkundig onderzoek per jaar met het oog op mogelijke infecties.

Sociaal aspect

De trainer is de belangrijkste sleutelfiguur voor de sporter. Maar vergeet niet dat ze ook sterk beïnvloed worden door leeftijdsgenoten. Verzeker dus dat de training leuk is voor iedereen en bemoedig sociale interactie en activiteiten tussen de sporters, zowel tijdens als buiten de training. Vroeg-mature sporters worden vaak leiders van de groep en lopen ook voorop in hun (fysieke) prestaties. De trainer waakt over de balans in de groep en heeft voldoende aandacht voor elke sporter. Het is belangrijk dat aan deze sporters de juiste normen, waarden en attitudes bijgebracht worden.

De sporter leert onderstaande strategieën te ontwikkelen:

  • Omgaan met stress. Een eerste introductie van ‘stressmanagement’ met activatie & relaxatie, visualisatie is hier op zijn plaats.
  • Balans vinden tussen privé, sociaal contact, familie en training.
  • Optimaal kunnen tonen wat men in zijn mars heeft tijdens een demonstratie of wedstrijd.
  • Open en duidelijk leren communiceren met trainer(s) en teamgenoten. De trainer is hierin een rolmodel.

Plannen & periodiseren

In deze fase komen de sporters voor de eerste maal in aanraking met het planmatig opbouwen naar een wedstrijd. De focus blijft echter liggen op de algemene fysieke en technische ontwikkeling, en dus op continue progressie door het jaar en niet op de wedstrijden op zich. De wedstrijden zijn een ideaal hulpmiddel om de sporter te laten ontwikkelen. De doelen die je aan een wedstrijd koppelt, zijn dan ook op die continue progressie gericht (bv. het doel is om op wedstrijd een correcte timing van uitstrekken te hebben bij een vooraf bepaalde salto op trampoline). Het jaarplan en de opbouw zijn voornamelijk gericht op de fysieke ontwikkeling en voorbereiding (krachtiger, steviger en leniger worden), in het kader van de te trainen elementen op korte én lange termijn.

Op MICRONIVEAU kijken we binnen één week. Bij de weekplanning wordt gekeken hoe je de trainingen spreidt over de week, zodat er voldoende rust tussen de trainingen is. Ook de trainingsindeling is hierbij belangrijk: wanneer train je welk toestel/onderdeel en welke verhouding geef je aan ‘harde’ en ‘zachte’ omstandigheden. Een groot aandeel op ‘zachte’ methodische toestellen en opstellingen is in deze groep sterk aan te raden.

Bij sporters die viermaal of meer in de week trainen, kan het nuttig zijn om een onderscheid te maken tussen rustige en zware trainingen, zodat het lichaam voldoende kan recupereren. Houd hierbij ook rekening met het schoolritme. Op vrijdagavond zijn deze jonge sporters vaak (fysiek) moe. Op deze leeftijd is het niet de bedoeling om de sporters fysiek en conditioneel tot het uiterste te drijven, ze moeten vooral juiste technieken en houdingen aanleren ter voorbereiding van doorgedreven fysieke training in latere fasen.

Bekijk hier twee voorbeelden van een weekschema.

  • Een 10-jarige turnster die 10 uur per week traint.Je zal merken dat het grootste aandeel van de tijd besteed wordt aan het ontwikkelen van elementaire fysieke voorwaarden en basistechnieken. De exacte tijdsindeling en invulling variëren uiteraard sterk afhankelijk van de discipline en het aantal uren dat er getraind wordt.
  • Een 13-jarige turner die 6,5 u per week turnt.Het grootste aandeel van de trainingsuren wordt nog steeds besteed aan fysieke en technische basisvorming, maar in mindere mate dan bij de jongere gymnast met meer trainingsuren.

In deze fase zal de trainingsindeling weinig variëren naargelang de periode van het jaar. In Tumbling bijvoorbeeld zal in de wedstrijdperiode minder tijd doorgebracht worden op trampoline, in het voordeel van reeksen op de baan, waardoor het onderdeel ‘methodische of zachte opstellingen’ ten opzichte van wedstrijdopstelling verandert. Grote aanpassingen in de trainingsindeling door het seizoen zijn in deze fase niet nodig.

Op MESONIVEAU worden periodeplannen opgesteld voor een periode van 4 tot 8 weken. Hier worden fysieke en sportspecifieke doelen aan gekoppeld. In deze fase zal er qua fysieke training niet veel verschil zitten tussen de diverse perioden. Sportspecifiek zullen opeenvolgende perioden wel opbouwen en elkaar logisch opvolgen.

  • De algemene voorbereiding start met een periode van basiselementen en basis skills waarbij je nadien overgaat naar een combinatie van deze elementen en methodische opbouw naar nieuwe vaardigheden.
  • De selectie van je fysieke oefeningen (kracht, lenigheid, cardio, en (dynamische) houdingsscholing) is steeds afhankelijk van de vaardigheden die je wilt aanleren in de huidige en volgende periode.

Op MACRONIVEAU worden de opbouw en planning in een jaarplan gegoten.

  • In het begin van het seizoen zal de focus liggen op de algemene voorbereiding van algemene basiseigenschappen.
  • In de loop van het seizoen daalt het aandeel van algemene krachttraining en wordt het grootste deel specifiek getraind op grond van de fysieke voorwaarden van de vaardigheden die je wilt aanleren op korte en lange termijn.
  • Schommelingen in intensiteit en aantal trainingsuren zijn op deze leeftijd minder van toepassing.
  • Het is belangrijk om in de loop van het seizoen continue progressie op te bouwen, mits af en toe een korte rustperiode in te lassen, bijvoorbeeld een rustweek tijdens een vakantie of na een turnshow.

Activiteiten naast training

Trainingen vergen de meeste tijd van de sportbeoefening. Daarnaast kan de sporter nog extra activiteiten doen die zijn (sport)beleving en ontwikkeling stimuleren.

Een gevarieerde combinatie van activiteiten, demo’s en wedstrijden is belangrijk. Een trainer ondersteunt, helpt en begeleidt sporters hierbij. De keuze van de activiteiten hangt af van de specifieke noden van de sporter. Wedstrijden dienen om te kijken hoe goed een sporter kan en wil ‘performen’ en mogen niet resultaatgericht zijn.

Mogelijke activiteiten in de fase Gerichte training zijn:

  • Wedstrijden
  • Regionale trainingen
  • Cluboverschrijdende evenementen
  • Speciale optredens en demo’s (club, provinciaal en nationaal)